Spreekbeurt over Herten en ReeŽn

 

Eline van Ee 11 jr.

Inhoudsopgave.
  1. Het Hert.
  2. Soorten.
  3. Uiterlijk.
  4. Het gewei.
  5. Voedsel.
  6. Territorium.
  7. Voortplanting.

Inleiding.

Ik heb dit onderwerp gekozen omdat als ik het over iets anders doe in plaats van een dier vind ik als ik er een tijdje mee bezig ben saai worden en als het over een dier gaat of iets wat met een dier te maken heeft niet. Het onderwerp heb ik ook gekozen omdat er veel informatie over was en omdat ik het hele lieve dieren vind.


1. Het Hert.

Op de hele wereld komen meer dan vijftig verschillende soorten herten voor. In ons land leven drie soorten herten: Edelhert, Damhert, en ReeŽn. Edelherten en Damherten leven in Nederland het meest op de Hoge Veluwe en in BelgiŽ vooral in de Ardennen en de Hoge Venen. ReeŽn leven het meest in bosranden die naast weilanden liggen. Ze komen over heel Nederland voor. Hun voedsel bestaat voornamelijk uit: grassen, bast, twijgen, jonge scheuten en bladeren.

Een mannetjeshert wordt Hert genoemd en vrouwtjeshert een Hinde en een jong een Kalf. Een kudde herten noem je een Roedel en de paartijd noem je Bronstijd. Een hert wordt tussen de acht en twintig jaar oud en de Hinde krijgt een tot en met vier jonge per dracht. De herten behoren tot de herkauwers. De Edelherten worden ook de koningen van het bos genoemd.


2. Soorten.

Er zijn vijftig soorten herten op de hele wereld. Over de drie soorten die in Nederland voorkomen ga ik het hebben.

Het Edelhert.

Het grootste dier van ons land is het Edelhert. De mannelijke herten bereiken een schofthoogte, dat is de hoogte tot de schouder, van zo'n een meter dertig en een gewicht van ongeveer honderdvijftig kilogram, terwijl de Hinde de vrouwtjesherten kleiner zijn en minder wegen.

Het Damhert.

Het Damhert is een bekend parkhert dat ook op de Hoge Veluwe voorkomt maar oorspronkelijk komt hij uit zuidelijken landen. De meeste Damherten die op de Hoge Veluwe leven zijn donker van kleur en niet zo gespikkeld als de parkherten. Damherten zijn kleiner dan Edelherten: de schouder ligt ongeveer 30 centimeter lager. Het meest opvallende kenmerk wordt door de mannelijke dieren gedragen, vooral het aparte schoffel-vormige gewei. Een Damhert gaat als hij snel weg moet voor gevaar niet rennen zoals een Edelhert, maar gaat stuiteren als een bal. Ze dansen dan met vier poten tegelijkertijd en hun staart zwaait op en neer.

Het Ree

Een mannelijke Ree wordt een Bok genoemd en het vrouwtje een Geit. Het Ree is veel kleiner dan het Edelhert en het Damhert. Het Ree is een sierlijk hert dat bijna overal in Europa voorkomt. Het is het snelste wilde zoogdier dat in West-Europa voorkomt. De kleur van het Ree is roodbruin met een wit vlekje op zijn staart. Aan dat witte vlekje kunnen de reeen elkaar herkennen. Het Ree leeft het meest in open bossen, hoog struikgewas en bosranden en soms op akkers.


3. Uiterlijk

ReeŽn zijn zoogdieren die een gelijkblijvende temperatuur van 37oC bezitten. Om zo weinig mogelijk warmte kwijt te raken, hebben ze net zoals de meeste andere zoogdieren veel haren en deze haren houden de warmte vast. Tijdens de wintermaanden en in het voorjaar hebben reeŽn een dikke vacht, die goed helpt tegen het koude weer. Deze haren zijn meestal grijs van kleur met een opvallende witte spiegel waar herten elkaar aan herkennen. Het zomerhaar van de reeŽn is er alleen maar in de zomer. Er komen in Nederland ook zwarte reeŽn voor. Kalveren, dat zijn jonge herten, krijgen bij hun geboorte een witte vlektekening die voor een hele goede camouflage zorgt, maar die tekening gaat binnen een paar maanden weer weg. Volwassen reeen verkleuren 2 keer per jaar.

ReeŽn horen bij de hoefdieren omdat ze op de toppen van de tenen lopen. Doordat reeŽn hoeven hebben kunnen ze makkelijker op de grondsoorten lopen. Een hert heeft ook een hele goede neus, zij kunnen er mee ruiken of een hinde, vrouwtjes hert, bronstig is. Dat betekend dat ze klaar is op te paren.

Herten zijn net zoals koeien en schapen herkauwers. Ze slikken het eten door zonder het fijn te malen en ze halen het na een tijdje weer terug om er voor de 2e keer weer op te gaan kauwen.

Jonge herten worden met drie melkkiezen geboren. Later als het blijvende gebit er is heeft hij totaal 12 kiezen. Snijtanden dat zijn de tanden waar hij het voedsel mee doorsnijd, deze zitten alleen in de onderkaak.

Hoektanden en de haken worden meestal in een kaakhelft gezien.

De sterke tanden en kiezen bestaan uit tandbeen en daarover een laagje glazuur. Omdat de kiezen worden gebruikt bij het doorbijten van het voedsel komen er eerst een paar slijtplekjes op de kiezen en daarna worden de kiezen ook steeds kleiner. De leeftijd van de herten wordt ook een beetje bepaald door de kiezen.


4. Gewei

Een gewei van een hert wordt voor verschillende dingen gebruikt. Het hert kan er goed mee vechten tegen een beer bijvoorbeeld . Het hert heeft zijn gewei voor afkoeling, dat komt omdat er bloed door het gewei stroomt. In het gewei koelt het bloed af. Het stroomt dan weer terug in het lijf en zo zit er afgekoeld bloed in het lijf. Aan het gewei kun je ook zien of een hert gezond is. Als een hert een groot gewei heeft is dat een teken dat hij gezond is.

In de bronstijd, dat is de tijd als mannetjes (bokken) en de vrouwtjes (hinde) gaan paren, word het gewei ook gebruikt voor gevechten. Twee mannetjes gaan dan met hun geweien tegen elkaar aan en proberen elkaar te verslaan. Het mannetje heeft dan het vrouwtje voor zich, zolang er geen andere hert aankomt om met hem te vechten. Meestal houd een hert een vrouwtje niet de hele bronstijd voor zich alleen omdat een ander hert hem dan verslaat. Een hert verliest elke winter zijn gewei. Er blijven dan twee kleine stompjes over. In juni, dus in de lente en de zomer groeit het gewei. Het gewei is dan nog bedekt met een dunne fluweelachtige bast. In september is het gewei helemaal uitgegroeid, dat is dus in de paartijd (bronstijd). De herten gaan dan met hun gewei tegen een boom schuren, zodat die bast eraf gaat. Sommige herten eten de bast. Per jaar komt er een tak bij het gewei bij. Wanneer het paarseizoen voorbij is dat is tussen januari en april valt het gewei eraf. Meestal vallen deze geweien er een voor een af. Sommige herten eten hun afgevallen gewei op omdat er voedingsstoffen in zitten. De geweien van elk hert verschillen. Het gewei van een Eland is heel groot terwijl die van een Poedoe heel klein is. Alleen mannetjes herten hebben een gewei. Een Eland stoot zijn bast (dat is een vel wat om het gewei zit) af in lange, bloederige repen. Het gewei van een Eland weegt ongeveer 36 kg.

Gewei


5. Voedsel

Een hert is een planteneter, maar ze eten niet alles wat voor hun neus komt. Ze zijn heel kieskeurig met wat ze eten en gaan er ook eerst altijd aan ruiken voordat hij het op eet. Ook kalveren (jonge herten) moeten weten wat ze wel en wat ze niet kunnen eten, daarom moeten ze ook altijd eten naast de bek van de moeder.

Omdat de soorten planten niet het hele jaar groeien gaan ze na een paar weken of maanden andere soorten planten of dingen eten.

Een hert eet ongeveer:
  • 62% bladeren en knoppen van bomen en struiken
  • 10% grassen
  • 16% kruiden
  • 12% lagere planten zoals korstmossen en paddestoelen.

Bladeren van bomen en planten eten de herten het liefst het hele jaar door. Ook houden de herten veel van de bladeren van de braam en de klimop. Tijdens slechte weersomstandigheden eten herten zelfs hulst en rododendronbladeren. In de herfst eten ze eikels en beukennootjes.

Het voedsel van een hert is heel gevarieerd. Een hert van 25 kg eet in 24 uur ongeveer 1,5 kg voedsel. Het is raar dat reeŽn juist goed groeien als er geen water in de buurt is. Je zal een hert dan ook niet vaak zien drinken. Omdat herten vroeg in de morgen opstaan en al de bladeren nog zijn bedekt met dauw, krijgen ze toch nog voldoende water binnen.


6. Territorium

Edelherten en Damherten leven vaak in een groep. Een groep heeft voordelen, zoals bescherming tegen roofdieren, maar heeft ook nadelen., omdat alle herten hetzelfde eten.

ReeŽn leven niet in een kudde maar vormen alleen in de winter kleine groepjes van twee tot vijf dieren die sprongen worden genoemd. In het voorjaar gaan de herten weer uit elkaar. Een plek wordt door de ReeŽn alleen verdeeld in een aantal leefgebieden, waar de herten kunnen eten, slapen, paren, en jongen groot brengen. De grootte van zo'n leefgebied wordt bepaald door het voedsel dat er in het leefgebied is. Als er veel voedsel is wordt het leefgebied kleiner.

In gebieden waar weinig schuilplekken zijn wordt het leefgebied groter. De bokken (de mannetjesherten) merken een gebied onder andere af met "veegboompjes", dat zijn meestal jonge boompjes waarvan de bast is afgeslagen met het gewei, zodat de stammetjes een opvallende witte kleur hebben.

De bok smeert ook een soort geur aan de boom die uit zijn voorhoofdsklier komt. Vaak gaat het hert dan met zijn kop en hals langs het boompje, zodat de geur ook daaraan komt. Meestal maakt de bok tijdens een tocht gebruik van wissels. Een wissel is een vaste route waar dieren doorheen lopen en omdat ze zo vaak daar lopen is het afgesleten. Ook smeert hij daar aan laaghangende takken de geur. 's Ochtends maakt de bok ook wat blaffende geluiden, die tot heel ver te horen zijn. Dit is ook iets waarmee hij laat horen waar hij is.


7. Voortplanting

De paartijd van de herten, ook wel bronstijd genoemd, is in de zomer vanaf half juli tot half augustus.

Het hert gaat ook op zoek naar vrouwtjesherten (hindes), hij gaat dan net zoals een jachthond langs de grond met zijn neus en gaat dan op zoek naar de geur van de poten van een vrouwtjeshert. Als hij het vrouwtjeshert gevonden heeft gaart hij haar de hele tijd achterna, ook als ze de hele tijd probeert weg te lopen.

Maar er komt soms ook weer een ander hert aan en de twee herten gaan dan met elkaar vechten. Ze gaan dan met de geweien tegen elkaar aan slaan. Degene die gewonnen heeft, heeft het vrouwtje voor zich, maar er kan zo weer een ander mannetje aankomen om mee te vechten. Als het hert dan met het vrouwtje heeft gepaard duurt het 5 tot 9 maanden voor de jonge herten (kalveren) komen.

Aan het einde van de lente wordt het jong geboren. Een hinde krijgt zo'n 1 tot 2 en soms 3 tot 4 jongen. Bij de geboorte heeft een kalf allemaal witte vlekken op zijn rug. Deze verdwijnen al snel weer. Als het jong is geboren duwt de hinde het jong met haar neus in de bosjes als er gevaar is en laar het kalfje daar achter en gaar zelf een eindje verderop staan om de vijand af te lijden.

Als een hert geboren is probeert hij al meteen te staan, zijn moeder helpt hem dan een beetje. Na 2 uur durft het jong al een paar stappen te zetten. Als het jong een paar weken oud is, neemt de moeder hem mee naar de roedel (kudde), waar ook andere jonge hertjes zijn. Om te weten of een jong een mannetje of vrouwtje is moet je kijken naar de plek waar het gewei later komt.

Na 6 maanden komt er bij een mannetjeshert een teken van een gewei op de kop. Maar mensen die veel van herten af weten, zien het al eerder aan de lichaamsbouw en het gedrag van het hert.


Slotwoord

Ik vond het leuk om er aan te werken, vooral als ik iets op de computer mocht uittypen. Ook vond ik het leuk om de tekeningen er bij te maken.

Bronnen

De informatie heb ik gehaald uit het boek Edelherten van Serge Simon, Zoogdieren (Time Life) en Zoogdieren van ons land van Meindert de Jong. Ook heb ik veel informatie gehaald van het internet..

Google

of kijk een naar deze spreekbeurten:

Spreekbeurt Dolfijn

Spreekbeurt Hamster

Spreekbeurt Blindengeleidehond

Spreekbeurt Volleybal

Spreekbeurt Farao

Spreekbeurt over IJsland

Tip:  Hoe maak je een spreekbeurt.

Meer spreekbeurten

Juf Eline: Op deze site vind je lesideeŽn voor het basisonderwijs. Deze zijn ingedeeld in onderbouw, middenbouw en bovenbouw.

 

 

(c) vanee.org